De huidige generatie Molukkers in Nederland zou een vrije Molukse staat prachtig vinden, maar ziet het niet gebeuren
Seventy-five years after Moluccan soldiers and their families were brought to the Netherlands, younger generations are breaking inherited silences about colonial loyalty, exile, violence, and identity, opening a new language for old wounds.

Ais de Jong (26) staat met een witte roos in zijn hand op het veld waar ooit de barakken van Kamp Westerbork stonden. Net als de meeste aanwezigen op deze februaridag kent hij het hier onder de naam Schattenberg. Dit was het kamp waar zijn Molukse opa naartoe werd gebracht toen die in 1951 aankwam in Nederland, dit is het kamp waar zijn moeder werd geboren. Ais’ blik dwaalt rond, op zoek naar herkenning. Dan concludeert hij zachtjes: ‘Shit, ik weet het nummer van de barak niet.’ Hij belt zijn moeder.
Ais de Jong, 26, stands with a white rose in his hand on the field where the barracks of Camp Westerbork once stood. Like most of those present on this February day, he knows it here by the name Schattenberg. This was the camp to which his Moluccan grandfather was taken when he arrived in the Netherlands in 1951; this is the camp where his mother was born. Ais’s gaze wanders, searching for something familiar. Then he concludes softly, “Shit, I don’t know the number of the barrack.” He calls his mother.
Ondertussen staat zijn vriendin, Gloria Lappya (27), met haar moeder en tante bij nummer 36. Ze leggen hun rozen op de natte zandgrond. De contouren van de houten barak waarin ze opgroeiden worden aangegeven met speciale begroeiing en een genummerd paaltje. Haar tante wijst naar een grote kale plek: ‘Dit was het veldje waar we speelden.’
Meanwhile his girlfriend, Gloria Lappya, 27, is standing with her mother and aunt by number 36. They lay their roses on the wet sandy ground. The outlines of the wooden barrack in which they grew up are marked by special planting and a numbered post. Her aunt points to a large bare patch: “This was the little field where we played.”
Ais and Gloria are the youngest people present on this day of commemoration for 75 years of Moluccan presence in the Netherlands. They represent the third generation, or the fourth, depending on how one counts. Their six-year-old daughter Mutiara is at home with Gloria’s parents.
Ais en Gloria zijn de jongste aanwezigen op deze herdenkingsdag van 75 jaar Molukse aanwezigheid in Nederland. Ze vertegenwoordigen de derde generatie, of vierde, het is net hoe je telt. Hun zesjarige dochter Mutiara is bij Gloria’s ouders thuis.
The first generation of Moluccan migrants is almost gone. Most visitors in Westerbork, like Gloria’s aunt and mother, are second generation; they were teenagers and twenty-somethings when Schattenberg, like many other Moluccan camps, was cleared in the early 1970s.
De eerste generatie Molukse migranten is er bijna niet meer. De meeste bezoekers in Westerbork, zoals de tante en moeder van Gloria, zijn tweede generatie, ze waren tieners en twintigers toen Schattenberg begin jaren zeventig, net als veel andere Molukse kampen, werd ontruimd.
This day, a so-called “dialogue table,” has been organized by the Pelita Foundation, which focuses on the aftereffects of the colonial and wartime past for people with roots in the former Dutch East Indies. The day began with the sound of the tifa drum and the deep call of the tahuri shell. Gloria, hidden behind large glasses, beneath the hood of her hoodie: “With that we honor our ancestors. To me it feels like an old memory, even though I did not visit the Moluccas until I was eighteen. With the tahuri, fishermen call the wind to the boats.”
Deze dag, een zogenaamde ‘dialoogtafel’, is georganiseerd door Stichting Pelita die zich richt op de doorwerking van het koloniale en oorlogsverleden voor mensen met een achtergrond in voormalig Nederlands-Indië. De dag is begonnen met de klank van de tifa-drum en de diepe roep van de tahuri-schelp. Gloria (verscholen achter een grote bril, onder de capuchon van haar hoodie): ‘Daarmee eren we onze voorouders. Voor mij voelt dat als een oude herinnering, hoewel ik de Molukken pas bezocht toen ik achttien was. Met de tahuri roepen vissers de wind aan op de boten.’
This twentieth of February marks exactly 75 years since the Kota Inten departed from Surabaya, the first of twelve transports that brought some 12,500 Moluccans to the Netherlands, mainly former KNIL soldiers and their families. The gathering in Westerbork marks the beginning of a period full of commemorations and celebrations. On June 21, a national monument to the Moluccan community will be unveiled on the Lloydkade in Rotterdam. Then it will be 75 years since the final transport arrived, again the Kota Inten.
Het is deze 20ste februari precies 75 jaar geleden dat de Kota Inten vertrok uit Surabaya, het eerste van twaalf transporten waarmee in totaal zo’n 12.500 Molukkers naar Nederland kwamen, voornamelijk ex-Knil-militairen met hun gezinnen. De bijeenkomst in Westerbork markeert de start van een periode vol herdenkingen en vieringen. Op 21 juni wordt een nationaal monument voor de Molukse gemeenschap onthuld op de Lloydkade in Rotterdam. Dan is het 75 jaar geleden dat het laatste transport aankwam, opnieuw de Kota Inten.
At last Ais, wearing glasses and a flat cap, has received the number from his mother. He lays a flower at 47, where his grandfather lived. He says he is still trying to piece together what his grandparents went through. “My grandfather was a stowaway on one of those ships. But my mother doesn’t know exactly either.”
Eindelijk heeft Ais (bril en platte pet) het nummer doorgekregen van zijn moeder. Hij legt een bloem bij 47, waar opa woonde. Hij vertelt dat hij nog altijd aan elkaar probeert te puzzelen wat zijn grootouders hebben meegemaakt. ‘Mijn opa was verstekeling op een van die schepen. Maar mijn moeder weet het ook niet precies.’
The children and grandchildren of the first Dutch Moluccans often do not know the stories, because the soldiers and their wives did not speak about them. Yes, the second generation sometimes still cherishes adventurous memories of playing on the heath and of the sense of community; you could walk into any barrack. But they also remember the cold, the lack of hot water, the political tensions and, above all, the suffocating frustrations of their parents, their homesickness and the military upbringing.
De kinderen en kleinkinderen van de eerste Nederlandse Molukkers kennen vaak de verhalen niet, omdat de militairen en hun vrouwen er niet over spraken. Ja, de tweede generatie koestert soms nog avontuurlijke herinneringen aan het spelen op de heide en de gemeenschapszin, je kon in elke barak binnenlopen. Maar ze herinneren zich ook de kou, het gebrek aan warm water, de politieke spanningen en bovenal de benauwende frustraties van hun ouders, hun heimwee en de militaire opvoeding.
By the time Gloria and Ais were born, around the turn of the millennium, the Moluccan camps had long since disappeared, and the hope that they might one day return, with Dutch help, to a free Maluku had been replaced by bitterness. The communities had been moved to special Moluccan residential neighborhoods: better living conditions, but the same frustrations.
Toen Gloria en Ais geboren werden, rond de millenniumwisseling, waren de Molukse kampen alweer verdwenen en was de hoop dat ze ooit met hulp van Nederland konden terugkeren naar een vrij Maluku vervangen door bitterheid. De gemeenschappen waren verplaatst naar speciale Molukse woonwijken: betere woonomstandigheden, maar met dezelfde frustraties.
Ais grew up in Assen, Gloria nearby in the Moluccan neighborhood of Bovensmilde, the small Drenthe village where in 1977 105 primary-school pupils and five teachers were taken hostage by Moluccan youths. Ais’s mother attended that school. Because she was Moluccan, she was allowed to go home, but her school friends were held captive for four days, and several teachers for three weeks. At the same time, the train hijacking at De Punt took place. Gloria’s uncle was one of the hijackers.
Ais groeide op in Assen, Gloria vlakbij in de Molukse wijk van Bovensmilde, het kleine Drentse dorp waar in 1977 105 basisschoolleerlingen en vijf leerkrachten werden gegijzeld door Molukse jongeren. Ais’ moeder zat op die school. Omdat ze Moluks was, mocht ze naar huis, maar haar schoolvriendjes zaten vier dagen gevangen, een aantal leraren zelfs drie weken. Gelijktijdig vond de treinkaping bij De Punt plaats. Gloria’s oom was een van de kapers.
That accumulation of violent histories is not unusual in the Moluccan community. The word trauma is heard often this day in Westerbork. The community is marked by strong loyalty, says Désirée Reawaruw-Bellaard, a social worker and regional coordinator at the Pelita Foundation, who is co-leading the day. “Loyalty to your family, to the extended family, to people from the same camps, the same neighborhood, the same island, people who are older, people who had a good relationship with your father. It is almost impossible to satisfy all those loyalties.”
Die opeenstapeling van heftige geschiedenissen is niet ongewoon in de Molukse gemeenschap. Het woord trauma valt vaak deze dag in Westerbork. De gemeenschap wordt gekenmerkt door sterke loyaliteit, vertelt Désirée Reawaruw-Bellaard, sociaal werker en regiocoördinator bij Stichting Pelita die de dag mede leidt. ‘Loyaliteit naar je familie, naar de grootfamilie, naar mensen uit dezelfde kampen, dezelfde wijk, van hetzelfde eiland, mensen die ouder zijn, mensen die een goede relatie met je vader hebben gehad. Het is bijna onmogelijk om aan alle loyaliteiten te voldoen.’
Gloria, who is a poet, has tried to wrest herself free from them. At eighteen she moved away with Ais. She loves the neighborhood, she says, but also felt trapped. It was stifling there. In her poem “Avoidance,” she writes:
Gloria, die dichteres is, heeft geprobeerd zich daaraan te ontworstelen. Op haar achttiende verhuisde ze samen met Ais. Ze heeft liefde voor de wijk, zegt ze, maar voelde zich ook gevangen. Het was er benauwd. In haar gedicht Ontwijk schrijft ze:
dreams die in the neighborhood I break free from negativity I break free from generation upon generation upon generation
dromen gaan dood in de wijk ik maak me los van negativiteit ik maak me los van generatie op generatie op generatie
It is not easy to write that, knowing that your ancestors are reading along. Still, in Westerbork Gloria receives applause for her candid poems about the pain of the different generations, from her collection Mesra.
Het is niet makkelijk om dat te schrijven, wetende dat je voorouders meelezen. Toch krijgt Gloria in Westerbork applaus voor haar openhartige gedichten over de pijn van de verschillende generaties, uit haar bundel Mesra.
Strikingly, the older people present too, of whom it is often said that they hide behind the Indies Silence, use the word trauma frequently. A man in his seventies with a red scarf walks around for nearly the entire afternoon with tears in his eyes. The crying visibly does him good, and he finds much comfort with others.
Opvallend genoeg gebruiken ook de aanwezige ouderen – van wie vaak wordt gezegd dat ze zich verschuilen achter het Indische Zwijgen – het woord trauma veelvuldig. Een zeventiger met rode sjaal loopt bijna de hele middag rond met betraande ogen. Het huilen doet hem zichtbaar goed en hij vindt veel troost bij anderen.
It reveals the new space that has been opening within the community for several years now, won by a generation for whom the wounds are slightly less raw. It seems that the approach of the youngest generation, which speaks out in music, poetry, theater and visual art, and openly says it benefits from therapy, is also liberating for the older people. Gloria: “I think we are bringing the second generation along in talking about that trauma. That we are showing them: perhaps you are suffering from this too.”
Het tekent de nieuwe ruimte die er sinds enkele jaren ontstaat in de gemeenschap, bevochten door een generatie voor wie de wonden iets minder vers zijn. Het lijkt erop dat de aanpak van de jongste generatie, die zich uitspreekt in muziek, poëzie, theater en beeldende kunst en openlijk verklaart baat te hebben bij therapie, ook bevrijdend werkt voor de ouderen. Gloria: ‘Ik denk dat wij de tweede generatie meenemen in het bespreken van dat trauma. Dat we laten zien: misschien heb jij hier ook last van.’
In February, the exhibition Ketahanan opened at Het Noordbrabants Museum in Den Bosch, likewise to mark the 75 years. Co-curator Manoah Salampessy, 36, held many conversations within the Moluccan community, and he too saw the change taking place. “The third and fourth generations are coming forward with the story. Through visual art, literature, video and the performing arts, we share Moluccan culture with the rest of society. At the same time, more conversations are also taking place within the community. We dare to be vulnerable.”
In februari opende in Het Noordbrabants Museum in Den Bosch de tentoonstelling Ketahanan, eveneens om de 75 jaar te markeren. Co-curator Manoah Salampessy (36) voerde veel gesprekken in de Molukse gemeenschap en ook hij zag de verandering plaatsvinden. ‘De derde en vierde generatie treedt naar buiten met het verhaal. Via beeldende kunst, literatuur, video, podiumkunsten delen we de Molukse cultuur met de rest van de samenleving. Tegelijk worden er ook binnen de gemeenschap meer gesprekken gevoerd. We durven kwetsbaar te zijn.’
He absorbed a great deal of pain from his parents, he says. Physical punishment without explanation, but also much psychological pain. “I went into intensive therapy, and now I also know that it was a copy of their upbringing. My parents are 73 and 74. I find it very special that they, too, are now opening themselves to the conversation.”
Hij kreeg veel pijn mee van zijn ouders, zegt hij. Fysieke straffen zonder uitleg, maar ook veel geestelijke pijn. ‘Ik ben intensief in therapie gegaan en nu weet ik ook dat het een kopie was van hun opvoeding. Mijn ouders zijn 73 en 74 jaar. Ik vind het heel bijzonder dat zij zich nu ook openstellen voor het gesprek.’
“The Moluccan community has a very particular migration history, incomparable with that of other groups,” explains Désirée Reawaruw-Bellaard. “It already begins with so much accumulated colonial and wartime history, and then on top of that such a closed military neighborhood community is created.” One could say it is a perfect storm for intergenerational trauma.
‘De Molukse gemeenschap heeft een heel aparte migratiegeschiedenis die onvergelijkbaar is met andere groepen’, verklaart Désirée Reawaruw-Bellaard. ‘Dat begint al met zoveel opgestapeld koloniaal en oorlogsverleden, en dan wordt er ook nog zo’n gesloten militaire wijkgemeenschap gecreëerd.’ Je zou kunnen zeggen dat het een perfect storm voor intergenerationeel trauma is.
The roots lie in the sixteenth century; the Netherlands has no bond with any former colony that goes back so far. It was the Moluccan cloves and nutmeg that lured the first ships toward Southeast Asia in 1595. When ordinary trade was not enough for the VOC, the company subjected the islands to a trade monopoly, often with extreme violence, as during the genocide on the Banda Islands in 1621. On the plantations, enslaved people then labored for centuries for Dutch profits.
De wortels liggen in de zestiende eeuw, met geen enkele ex-kolonie heeft Nederland zo’n lange band. Het waren de Molukse kruidnagels en nootmuskaat die in 1595 de eerste schepen richting Zuidoost-Azië lokten. Toen de reguliere handel niet genoeg was voor de VOC onderwierp de compagnie de eilanden aan een handelsmonopolie, vaak met extreem geweld zoals tijdens de genocide op de Banda-eilanden (1621). Op de plantages werkten slaafgemaakten vervolgens eeuwenlang voor de Nederlandse winsten.
Fast-forward to the twentieth century. Roughly half the Moluccans had been Christianized by missionaries, and a strong tradition had grown of Moluccan soldiers serving in the Royal Netherlands East Indies Army, the KNIL. They were regarded as loyal and combative, faithful to the flag; in reality, poverty may more often have been a reason to join the KNIL. The soldiers lived in barracks, often on Java, and many of the first Moluccans who would come to the Netherlands in 1951 were anak kolong, literally raised “under the barrack bed.” That was often the only living space for soldiers’ wives and children. A culture of its own emerged, with its own Moluccan-Javanese-Dutch soldiers’ language: Melaju tangsi, barracks Malay.
Fast forward naar de twintigste eeuw. Ongeveer de helft van de Molukkers werd gekerstend door de missie en er was een sterke traditie gegroeid van Molukse soldaten die in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (Knil) dienden. Zij golden als loyaal en strijdlustig, trouw aan de vlag – in werkelijkheid was armoede misschien vaker een reden om bij het Knil te gaan. De soldaten woonden in kazernes, vaak op Java, en velen van de eerste Molukkers die in 1951 naar Nederland zouden komen waren anak kolong, letterlijk opgegroeid ‘onder het kazernebed’. Dat was vaak de enige leefruimte voor soldatenvrouwen en -kinderen. Er ontstond een eigen cultuur, met een eigen Moluks-Javaans-Nederlandse soldatentaal: het Melaju tangsi, het kazerne-Maleis.
During the Second World War, many of these soldiers and family members ended up in Japanese internment camps. After liberation, they fought in the KNIL against Indonesian independence. When Indonesia became independent in 1949, a substantial number sought their own Republic of the South Moluccas, Republik Maluku Selatan, the RMS. It became unsafe for soldiers of the by then disbanded KNIL, and in 1951 they were brought to the Netherlands while awaiting a solution.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen veel van deze soldaten en gezinsleden in Japanse interneringskampen terecht. Na de bevrijding streden ze in het Knil tegen de Indonesische onafhankelijkheid. Toen Indonesië in 1949 onafhankelijk werd, streefde een belangrijk deel naar een eigen Republiek der Zuid-Molukken, Republik Maluku Selatan (RMS). Het werd onveilig voor soldaten van het inmiddels opgeheven Knil en zij werden in 1951 naar Nederland gehaald in afwachting van een oplossing.
The more than twelve thousand former soldiers and their families, dispersed across camps like new Moluccan islands throughout the Netherlands, trusted in the support of the country they had served for generations, whose language and topography they had learned at school. Because their stay was to be temporary, integration into Dutch society was discouraged. In the drafty barracks, former soldiers sat at home unemployed. No solution came, no support. The packed suitcases gathered more and more dust. Weeks became months became years.
De ruim twaalfduizend ex-militairen en hun gezinnen, verspreid over kampen als nieuwe Molukse eilanden door heel Nederland, vertrouwden op de steun van het land dat ze al generaties lang dienden – waarvan ze de taal en topografie op school hadden geleerd. Omdat het verblijf tijdelijk zou zijn, werd integratie in de Nederlandse samenleving tegengewerkt. In de tochtige barakken zaten ex-militairen werkloos thuis. Er kwam geen oplossing, geen steun. De ingepakte koffers vingen steeds meer stof. Weken werden maanden werden jaren.
The second generation made itself heard in the 1970s. Some Moluccan youths found an outlet in music, others in drugs; most, despite the obstruction, nevertheless found their way into civilian society. But a number turned to violent political actions. In 1970 the Indonesian embassy in Wassenaar was occupied by 33 armed youths; in 1975 came the train hijacking at Wijster and an occupation of the Indonesian consulate in Amsterdam. Four people died. Two years later, young people hijacked a train at De Punt, ultimately costing the lives of six hijackers and two hostages. At the same time, youths took the primary school in Bovensmilde hostage.
De tweede generatie liet in de jaren zeventig van zich horen. Sommige Molukse jongeren vonden een uitweg in muziek, anderen in drugs, de meesten vonden ondanks de tegenwerking toch hun weg naar de burgermaatschappij. Maar een aantal ging over tot gewelddadige politieke acties. In 1970 werd de Indonesische ambassade in Wassenaar bezet door 33 gewapende jongeren, in 1975 volgde de treinkaping bij Wijster en een bezetting van het Indonesisch consulaat in Amsterdam. Er vielen vier doden. Twee jaar later kaapten jongeren een trein bij De Punt, wat uiteindelijk het leven kostte aan zes kapers en twee gegijzelden. Gelijktijdig gijzelden jongeren de lagere school in Bovensmilde.
“Bovensmilde” in particular was by no means approved by everyone in the community, but understanding was widespread. The Moluccans had often drawn attention to their situation, but the Dutch government scarcely listened to their objections. They felt deceived and abandoned.
Met name ‘Bovensmilde’ werd door lang niet iedereen in de gemeenschap goedgekeurd, maar begrip was er alom. De Molukkers hadden al vaak aandacht gevraagd voor hun situatie, maar de Nederlandse overheid luisterde nauwelijks naar hun bezwaren. Ze voelden zich bedrogen en in de steek gelaten.
Meanwhile the camps had become neighborhoods. Even today there are residential neighborhoods from Assen to Nijmegen, Maastricht and Breukelen where a number of houses are assigned exclusively to people of Moluccan background. But most neighborhoods have become more mixed over the years. The third and fourth generations are increasingly integrated, but also celebrate Moluccan culture. According to Statistics Netherlands, the Moluccan community numbered more than 71,000 people in 2021. Moluccan identity is a source of pride. But also of unprocessed histories.
Ondertussen waren de kampen wijken geworden. Ook vandaag nog zijn er woonwijken van Assen tot Nijmegen, Maastricht en Breukelen waar een aantal huizen uitsluitend aan mensen met een Molukse achtergrond wordt toegewezen. Maar de meeste wijken zijn door de jaren heen gaan mengen. De derde en vierde generatie is steeds meer geïntegreerd, maar viert ook de Molukse cultuur. De omvang van de Molukse gemeenschap bestond in 2021 volgens het CBS uit ruim 71.000 personen. De Molukse identiteit is een bron van trots. Maar ook van onverwerkte geschiedenissen.
Dean Reawaruw, 58, always thought he was not much affected by the traumas of his childhood. But in recent years he has dared to “look at it more,” and now he reaches a different conclusion. He tells the story at the kitchen table in Gouda, beneath framed pictures of two ships. The upper one is the Kota Inten. On that first transport of 1951 were his grandfather, grandmother, aunt and father. His father was fourteen at the time. Below it hangs the Norwegian ship the Skaubryn, chartered by the Netherlands. On it was his mother, then twelve years old, with her family.
Dean Reawaruw (58) dacht altijd dat hij weinig last had van de trauma’s uit zijn jeugd. Maar de laatste jaren durft hij het ‘meer aan te kijken’ en nu komt hij tot een andere conclusie. Hij vertelt het aan de keukentafel in Gouda, onder de ingelijste afbeeldingen van twee schepen. De bovenste is de Kota Inten. Op dat eerste transport van 1951 zaten zijn opa, oma, tante en vader. Die laatste was toen veertien jaar oud. Daaronder hangt het Noorse schip de Skaubryn dat door Nederland was gecharterd. Daarop zat zijn moeder, toen twaalf jaar oud, met haar gezin.
Dean’s voice breaks for a moment as he explains why the pictures hang so prominently in their home. “Well, without those two ships I wouldn’t be here, and neither would my brother and sister. It is the foundation. I feel sorrow that it had to happen this way. They did not come here voluntarily. Still, I am also glad those ships brought my parents safely here.”
Deans stem breekt even als hij uitlegt waarom het zo prominent in hun huis hangt. ‘Tja, zonder die twee schepen zou ik er niet zijn, en mijn broer en zus ook niet. Het is de basis. Ik voel verdriet, dat het zo heeft moeten lopen. Ze zijn hier niet vrijwillig gekomen. Toch ben ik ook blij dat die schepen mijn ouders veilig hier hebben gebracht.’
He too laid a flower in February at Schattenberg, where his father grew up under the yoke of his grandfather: a deeply traumatized former soldier who had lived through terrible things. Life in the family was not always easy.
Ook hij heeft in februari een bloem gelegd in Schattenberg waar zijn vader opgroeide onder het juk van zijn opa: een diep getraumatiseerde ex-militair die vreselijke dingen had meegemaakt. Het ging niet altijd makkelijk in het gezin.
And so Dean’s father, too, acquired two faces: a pious man with a role on the church council, an important linchpin in the community, who at home had loose hands. When his parents argued, Dean would jump between them and then catch the full force of it. As the eldest son, he received the most “little blows,” he says. Sometimes the house was locked against him and he had to sleep in the shed, or he would be put out of the car halfway through a drive and had to walk home. He was not allowed to cry, because men did not do that. Then he was beaten until he stopped. “It was not an easy childhood, but I also loved my father; he had beautiful sides too.”
Zo kreeg ook Deans vader twee gezichten: een vrome man met een functie in de kerkraad, een belangrijke spil in de gemeenschap, die thuis losse handen had. Als zijn ouders ruzie hadden, dan sprong Dean ertussen en kreeg vervolgens de volle laag. Hij kreeg als oudste zoon de meeste ‘klapjes’, zegt hij. Soms ging voor hem het huis op slot, moest hij maar in de schuur slapen, of hij werd halverwege een rit uit de auto gezet en moest naar huis lopen. Hij mocht niet huilen, want dat deden mannen niet. Dan kreeg hij net zo lang slaag tot hij ophield. ‘Het was geen makkelijke jeugd, maar ik hield ook van mijn vader, hij had ook mooie kanten.’
It is a story heard more often in the Moluccan community. Johnny Manuhutu, the singer of the best-known Moluccan band, Massada, tells almost exactly the same thing in his book Astaganaga: a church elder who was violent at home, but also a proud man of principles, full of wise life lessons.
Het is een verhaal dat vaker te horen is in de Molukse gemeenschap. Johnny Manuhutu, de zanger van de bekendste Molukse band Massada, vertelt bijna exact hetzelfde in zijn boek Astaganaga: een kerkvader die thuis gewelddadig was, maar ook een trotse man van principes, vol wijze levenslessen.
Dean has recently come to understand his father, and his grandfather, better. When he met Désirée, he had already noticed in himself that he sometimes became unreasonably angry about things at work. He is a project engineer in large ventilation systems. “I could be completely thrown off balance if someone criticized me. I started looking at it more: why do I react like this?”
Dean begrijpt zijn vader, en zijn opa, sinds kort beter. Toen hij Désirée ontmoette, had hij al bij zichzelf gemerkt dat hij soms onredelijk boos werd over dingen op zijn werk. Hij is project engineer in grote ventilatiesystemen. ‘Ik kon totaal van slag raken als iemand kritiek had. Ik ben er meer naar gaan kijken: waarom reageer ik zo?’
He went into therapy, something part of his family made light of a little, but to which the somewhat younger guard responds well. “I often talk about generational trauma with my cousins. Then they look at me as if to say, ‘Do I have that too, actually?’ Yes, definitely, because we come from the same bloodline.”
Hij ging in therapie, iets waar een deel van zijn familie een beetje lacherig over deed, maar waar de iets jongere garde wel goed op reageert. ‘Ik praat vaak over generationeel trauma met mijn neven en nichten. Dan kijken ze me aan van “heb ik dat ook trouwens”? Ja, zeker weten, want we komen uit dezelfde bloedlijn.’
At the same time as his therapy, Dean began to unravel his father’s story. Together with Désirée he went into the archives, because his parents had told him little. He did know that just before the war his grandfather had lost his wife and four children in a short span of time. He was called to the front during the Japanese invasion and had to leave behind his children, three and five years old.
Gelijktijdig met zijn therapie begon Dean het verhaal van zijn vader uit te pluizen. Samen met Désirée ging hij de archieven in, want zijn ouders hadden weinig verteld. Wel wist hij dat zijn opa vlak voor de oorlog in korte tijd zijn vrouw en vier kinderen had verloren. Hij werd naar het front geroepen tijdens de Japanse invasie en moest zijn kinderen van drie en vijf jaar oud achterlaten.
What exactly he experienced is not clear from the documents, but he was held in several internment camps and was shipped on the Japanese vessels on which atrocities are known to have taken place. After the occupation, Indonesian independence fighters took him to one of Surabaya’s most notorious prisons. Only after seven years could he go in search of his children again. Dean’s father, by then twelve, had spent all that time in an orphanage where famine prevailed.
Wat hij precies heeft meegemaakt blijk niet uit de documenten, maar hij zat in verschillende interneringskampen en werd verscheept op de Japanse schepen, waarvan bekend is dat er wreedheden plaatsvonden. Na de bezetting werd hij door Indonesische onafhankelijkheidsstrijders naar een van de beruchtste gevangenissen van Surabaya gebracht. Pas na zeven jaar kon hij weer op zoek naar zijn kinderen. Deans vader, inmiddels twaalf jaar oud, had al die tijd doorgebracht in een weeshuis waar hongersnood heerste.
“That your father had attachment problems, to put it professionally, is, let’s say, hardly surprising,” Désirée sums up. After that came the stay in the Netherlands, in a former concentration camp, where residents still found hidden Jewish papers in the drafty walls of their barracks. The elders sometimes forbade the children to play in the woods in the evening, because restless spirits were said still to roam there.
‘Dat jouw vader hechtingsproblematiek had, om het professioneel te zeggen, is zeg maar niet zo gek’, vat Désirée samen. Daarna volgde het verblijf in Nederland, in een voormalig concentratiekamp, waar de bewoners nog verstopte joodse papieren in de tochtige muren van hun barakken vonden. De ouderen verboden de kinderen soms ’s avonds in het bos te spelen, omdat er nog rusteloze geesten zouden rondwaren.
Désirée sees that the second generation absorbed the blows of the first. “With that pile of traumas, the already internally divided community, originating from a thousand islands, ends up in a neighborhood culture in which the outside world is the enemy that betrayed you.” That creates a strong bond, sometimes so strong that it tightens dangerously.
Désirée ziet dat de tweede generatie de klappen opving van de eerste. ‘Met die stapel trauma’s komt de onderling toch al verdeelde gemeenschap, afkomstig van duizend eilanden, in een wijkcultuur terecht waarbij de buitenwereld de vijand is die je verraden heeft.’ Dat schept een sterke band, soms zo sterk dat die gevaarlijk knelt.
As with Gloria and Ais. They talk about it in the Moluccan community building of Bovensmilde, a kind of football canteen with a 1970s suspended ceiling that is still the center of the neighborhood. In the gymnasium, a small exhibition has been set up about the Moluccan neighborhood in the little Drenthe village. In one photograph, Ais recognizes his mother during her profession of faith at eighteen. Balanced on the gymnasium basketball hoop is a traditional boat five meters long, made by Gloria’s father and used as a table for makan patita, a communal festive meal for two villages meeting each other.
Zoals bij Gloria en Ais. Ze vertellen erover in het Molukse wijkgebouw van Bovensmilde, een soort voetbalkantine met systeemplafond uit de jaren zeventig die nog altijd het middelpunt van de wijk is. In de gymzaal is een kleine tentoonstelling ingericht over de Molukse wijk in het kleine Drentse dorp. Ais herkent op een foto zijn moeder tijdens haar kerkelijke belijdenis op haar achttiende. Op de basket van de gymzaal balanceert een traditionele boot van vijf meter lang, die Gloria’s vader maakte en die als tafel diende voor makan patita, een gezamenlijke feestmaaltijd voor twee dorpen die elkaar ontmoetten.
The traditional structures of villages and islands still exert their influence in the Dutch community. Historical ties exist between villages that are pela with one another. Every Moluccan is expected to know with whom he or she is pela. Even in the Netherlands, it can determine whom you may or may not date.
De traditionele structuren van dorpen en eilanden werkt nog altijd door in de Nederlandse gemeenschap. Tussen dorpen die pela met elkaar zijn, bestaan historische banden. Iedere Molukker dient te weten met wie hij of zij pela is. Het kan, ook in Nederland, bepalen met wie je wel of juist niet mag daten.
Gloria and Ais were allowed to date, but felt another social threshold. Both received a recommendation for vwo, the pre-university track, which meant they went to a different school from the Moluccan neighborhood children. “Almost everyone does practical education,” Gloria says. “It feels as if you are an outsider. I would rather not have gone to vwo myself, but my mother thought I should simply study at my level.”
Gloria en Ais mochten daten, maar voelden een andere sociale drempel. Ze kregen beiden vwo-advies, waardoor ze naar een andere school gingen dan de Molukse buurkinderen. ‘Vrijwel iedereen doet praktisch onderwijs’, zegt Gloria. ‘Het voelt alsof je een buitenbeentje bent. Ik wilde zelf liever niet naar het vwo, maar mijn moeder vond dat ik gewoon mijn niveau moest doen.’
At school they noticed that teachers, perhaps unconsciously, discriminated. They had to work just a little harder to be seen. But within the community too, both felt a kind of disapproval from peers. It is a pattern Dean, also highly educated, recognizes. “Our parents too had grown up with the idea that you had to learn a practical trade, so you could help build a free Moluccan state.”
Op school merkten ze dat leraren, misschien onbewust, discrimineerden. Ze moesten net wat harder werken om te worden gezien. Maar ook binnen de gemeenschap voelden beiden een soort afkeuring door leeftijdsgenoten. Het is een patroon dat Dean, ook hoger opgeleid, herkent. ‘Onze ouders waren ook opgegroeid met het idee dat je een praktisch beroep moest leren, zodat je kon helpen een vrije Molukse staat op te bouwen.’
At eighteen Gloria decided not to make her profession of faith, a major break with her upbringing. When she was pregnant she moved with Ais to Rotterdam. There she pursued various courses of study: photography, teacher training in Dutch, but it was a lot with such a little one along. They moved back to Assen. Now she is doing MBO marketing, has enrolled to study Dutch at university, and is making her way as a writer.
Gloria besloot op haar achttiende geen belijdenis te doen – een forse breuk met haar opvoeding. Toen ze zwanger was verhuisde ze met Ais naar Rotterdam. Daar deed ze verschillende studies: fotografie, lerarenopleiding Nederlands, maar het was veel met zo’n kleintje erbij. Ze verhuisden terug naar Assen. Nu doet ze mbo marketing en heeft ze zich ingeschreven voor Nederlands aan de universiteit en timmert aan de weg als schrijfster.
Ais did not finish school at that time and worked in warehouses. Since last year he has nevertheless started studying again, in integrated safety and security management. Meanwhile he works at a wholesaler in hairdressing supplies, and he has just landed a new position as brand manager.
Ais rondde zijn school in die tijd niet af en werkte in magazijnen. Sinds vorig jaar is hij toch weer met studeren begonnen, integrale veiligheidskunde. Ondertussen werkt hij in een groothandel in kappersspullen en hij heeft net een nieuwe functie als brandmanager bemachtigd.
In that hectic period of uprooting, moving and starting a family, their journey to the Moluccas was formative. “Everyone always calls that coming home, our generation too,” says Gloria. “And that is how it feels. It is my father’s parental home, so it is my home too. But you also notice that you are very Dutch. What happens here, that you are different, applies there too.”
In die hectische periode van ontworteling, verhuizing en het stichten van een gezin was hun reis naar de Molukken vormend. ‘Iedereen noemt dat altijd thuiskomen, ook onze generatie nog’, zegt Gloria. ‘En zo voelt het ook. Het is het ouderlijk huis van mijn vader, dus dat is ook mijn huis. Maar je merkt ook dat je heel Nederlands bent. Wat hier speelt – dat je anders bent – geldt daar ook.’
In Westerbork, Gloria had recited a poem: “I am too Dutch for my aunts on the islands / too Moluccan for my neighbors.” Exactly that, says Ais: “You live in a community where you never feel completely at home. So what is our identity? I am not white, but not dark either; I am not Moluccan, but not Dutch either. Or yes, I am Moluccan, but then again not that Moluccan. And Dutch, yes, but not that Dutch.”
In Westerbork had Gloria een gedicht voorgedragen: ‘Ik ben te Nederlands voor mijn tantes op de eilanden/ te Moluks voor mijn buurvrouwen’. Nou dat dus, zegt Ais: ‘Je leeft in een gemeenschap waar je je nooit helemaal thuis voelt. Wat is dan onze identiteit? Ik ben niet blank, ook niet donker, ik ben niet Moluks, ook niet Nederlands. Of ja, wel Moluks, maar ook weer niet zó Moluks. En wel Nederlands, maar niet zó Nederlands.’
Dean too came “home,” but only when he was 58. There at last he stood on the island of his father and grandfather, before the bridge that led to his village. He was accompanied by a village elder who knew the Adat well, the precolonial rules of life. Dean had to fix his gaze on the mountain, where his ancestors once lived before the Dutch directed them toward the coast. He had to say an incantation and stamp on the ground three times, to make contact with the land and say that he had come home as anak negeri, a child of the village.
Ook Dean kwam ‘thuis’, maar pas toen hij 58 jaar oud was. Daar stond hij dan eindelijk op het eiland van zijn vader en opa voor de brug die naar zijn dorp leidde. Hij werd begeleid door een dorpsoudste die de Adat goed kende, de pre-koloniale leefregels. Dean moest zijn blik op de berg richten, waar zijn voorouders ooit woonden voordat de Nederlanders hen naar de kust dirigeerden. Hij moest een spreuk zeggen en drie keer op de grond stampen, om contact te maken met het land en te zeggen dat hij was thuisgekomen als anak negeri, kind van het dorp.
“It was very emotional. I did not yet know my family there, but it felt like coming home,” he says. “At the same time it was also very sad that I could not do this with my parents. They did not have the money for it; they had to raise three children and paid for my studies.”
‘Het was heel emotioneel. Ik kende mijn familie daar nog niet, maar het voelde als thuiskomen’, zegt hij. ‘Tegelijk was het ook heel verdrietig, dat ik dit niet met mijn ouders heb kunnen doen. Zij hadden het geld er niet voor, ze moesten drie kinderen opvoeden en betaalden mijn studie.’
The strange thing is that his father and mother had never been to the Moluccas either. They were born on Java, in the barracks. That is true of a very large part of the group that arrived in 1951: they are anak kompanie, children of the company. Moluccan-Dutch soldiers’ children. Even part of what is now regarded as adat, as traditional, has strong Dutch connections. As an example, Désirée mentions the traditional katredji dance, often danced in a farmer’s smock and with a polonaise. The fact that most of the Moluccan community in the Netherlands is deeply Christian cannot originally be adat either.
Het gekke is, ook zijn vader en moeder zijn nooit op de Molukken geweest. Ze werden geboren op Java, in de kazerne. Dat geldt voor een heel groot deel van de groep die in 1951 aankwam: ze zijn anak kompanie, kinderen van de compagnie. Moluks-Nederlandse soldatenkinderen. Zelfs een deel van wat nu als adat, traditioneel, wordt beschouwd heeft sterk Nederlandse verbanden. Als voorbeeld noemt Désirée de traditionele katredji-dans, vaak gedanst in boerenkiel en met een polonaise. Dat het grootste deel van de Molukse gemeenschap in Nederland zeer christelijk is, kan ook niet oorspronkelijk adat zijn.
It is exactly what Gloria and Ais say. Ais: “Many of the customs we now think of as Moluccan are Dutch. The Dutch settled on the islands as early as the end of the sixteenth century.” Gloria: “From the outside, the violence of the actions and the violence within families are seen as typically Moluccan. But the upbringing the second generation received was not a Moluccan upbringing but a military one. And that does not come from their father, but from the Dutch army.”
Het is precies wat Gloria en Ais vertellen. Ais: ‘Veel van de gebruiken die we nu Moluks vinden, zijn Nederlands. De Nederlanders vestigden zich eind zestiende eeuw al op de eilanden.’ Gloria: ‘Van buiten wordt het geweld van de acties en het geweld binnen gezinnen als typisch Moluks gezien. Maar de opvoeding die de tweede generatie heeft gehad is niet een Molukse maar een militaire opvoeding. En die komt niet van hun vader, maar van het Nederlandse leger.’
Outside the community building in Bovensmilde stand several monuments. The most prominent, for the first generation, is a tall column with a tahuri on top. It was made by Gloria’s uncle, one of the De Punt hijackers, who was also an artist. A Moluccan flag has been attached to every lamppost in the neighborhood. That flag is banned in Indonesia; you can be imprisoned for years for it.
Buiten bij het wijkgebouw van Bovensmilde staan verschillende monumenten. Het prominentste, voor de eerste generatie, is een hoge zuil met een tahuri erop. Die is gemaakt door Gloria’s oom, een van de kapers van De Punt die ook kunstenaar was. Op elke lantaarnpaal in de wijk is een Moluks vlaggetje aangebracht. Die vlag is in Indonesië verboden, je kunt er jaren voor in de gevangenis komen.
The young couple notice that their parents heard hardly any stories about the war and its aftermath. Only recently did it become clear to Ais how deeply the school hostage-taking had cut into his mother. “She was eight when it happened here, and her sister and brother were in there too.” He gestures toward the place where the school stood. “A few years ago, a number of the hostage-takers made public apologies. Only then did it become clear how much it had actually been lodged in her system without her knowing it. It turned out she was very angry with those people.”
Het jonge stel merkt dat hun ouders nauwelijks verhalen hebben gehoord over de oorlog en de nasleep ervan. Pas kortgeleden werd het Ais duidelijk hoe diep de schoolgijzeling erin had gehakt bij zijn moeder. ‘Ze was acht toen het hier gebeurde, en haar zus en broer zaten er ook.’ Hij maakt een gebaar richting de plek waar de school stond. ‘Een paar jaar geleden maakte een aantal van de gijzelnemers openbare excuses. Toen pas bleek hoeveel het eigenlijk vastzat in haar systeem zonder het te weten. Het bleek dat ze heel boos was op die mensen.’
At the opening of the exhibition in Het Noordbrabants Museum, Manoah Salampessy says: “The new generation of Moluccans is taking a step forward. Our parents and grandparents often lived in isolation, because they were frequently not allowed to work and lived in segregated camps or neighborhoods. Many people outside the community think of train hijackers and the Satudarah motorcycle club when they think of Moluccans, but we are now working on a new chapter, in which we reflect on our community and our rich culture and carry that outward as well.”
Manoah Salampessy zegt bij de opening van de tentoonstelling in Het Noordbrabants Museum: ‘De nieuwe generatie Molukkers zet een stap naar voren. Onze ouders en grootouders hebben vaak afgezonderd geleefd, omdat ze vaak niet mochten werken en in gesegregeerde kampen of wijken woonden. Veel mensen buiten de gemeenschap denken bij Molukkers aan treinkapers en motorclub Satudarah, maar we werken nu aan een nieuw hoofdstuk, waarin we reflecteren op onze gemeenschap en onze rijke cultuur en dat ook uitdragen.’
Gloria: “We can take more freedom to ask questions. Sometimes a grandfather or grandmother may still say a little more to grandchildren, but often the answers are not there.”
Gloria: ‘Wij kunnen meer vrijheid nemen om vragen te stellen. Soms wil een opa of oma nog weleens wat meer tegen kleinkinderen zeggen, maar vaak zijn de antwoorden er niet.’
Ais’s grandmother took him to important places in the Moluccas. The now 94-year-old woman thinks it important that he know where he comes from. Sometimes she tells a little about the wartime period, such as how she escaped from the camp in an ox cart and had to beg to stay alive. But much remains unclear. Three years ago Ais went to her birth village on Java and discovered in the archives what his great-grandfather had gone through. For example, that in the Japanese camp, before his eyes, someone was beheaded for refusing to walk over the portrait of Queen Wilhelmina.
De oma van Ais nam hem mee naar belangrijke plekken op de Molukken. De nu 94-jarige vrouw vindt het belangrijk dat hij weet waar hij vandaan komt. Soms vertelt ze wat over de oorlogsperiode, zoals over hoe ze in een ossenwagen uit het kamp ontsnapte en moest bedelen om in leven te blijven. Maar veel blijft onduidelijk. Ais is drie jaar geleden naar haar geboortedorp op Java gegaan en ontdekte in archieven wat zijn overgrootvader had meegemaakt. Bijvoorbeeld dat in het jappenkamp voor zijn ogen iemand werd onthoofd omdat die weigerde over het portret van koningin Wilhelmina te lopen.
Again, that accumulation of trauma. It feeds their discussions, Gloria’s poems, their view of the world. The journeys to Java and the Moluccas showed them how the colonial past still reverberates in the distribution of wealth. Ais: “We have a passport that is valid in 185 countries, but my cousins there don’t even have a passport; it costs too much money.”
Opnieuw die trauma-opstapeling. Het voedt hun discussies, Gloria’s gedichten, hun kijk op de wereld. De reizen naar Java en de Molukken toonden hun hoe het koloniale verleden nog altijd doorwerkt in de verdeling van welvaart. Ais: ‘Wij hebben een paspoort dat in 185 landen geldig is, maar mijn neven en nichten daar hebben niet eens een paspoort, dat kost te veel geld.’
They would find a free Moluccan state beautiful, but it is not something they actively pursue. “I don’t see that happening,” says Ais. “I would like people to be free to express themselves.” Ais saw how Indonesia uses, or exploits, the Moluccas, through tourism, but also through nickel mines and the extraction of other raw materials. Riches that, once again, disappear from the community.
Een vrije Molukse staat zouden ze prachtig vinden, maar het is niet iets wat ze actief nastreven. ‘Ik zie dat niet gebeuren’, zegt Ais. ‘Ik zou wel willen dat mensen zich vrij mogen uiten.’ Ais zag hoe Indonesië de Molukken benut, of uitbuit, met toerisme, maar ook met nikkelmijnen en het delven van andere grondstoffen. Rijkdommen die, opnieuw, verdwijnen uit de gemeenschap.
It was there too that they encountered the name they gave their daughter: Mutiara, which means pearl. She is the fourth generation and likes her grandfather’s papeda, a jelly made from sago palm, best. “Her Moluccan identity will come to her naturally,” Gloria says. “But we want to teach her that it does not matter where you belong, that she may be herself and does not have to adapt to a group.”
Het was ook daar dat ze de naam tegenkwamen die ze aan hun dochter gaven: Mutiara, wat parel betekent. Zij is de vierde generatie en vindt de papeda (een gelei van sagopalm) van haar opa het lekkerst. ‘Vanzelf krijgt zij haar Molukse identiteit mee’, zegt Gloria. ‘Maar we willen haar meegeven dat het niet uitmaakt waar je bij hoort, dat ze zichzelf mag zijn en zich niet hoeft aan te passen aan een groep.’
They are glad that Mutiara is still getting some Malay and that she has a large family, but they try to keep her away from coercive loyalty. Gloria: “I think we often cross our own boundaries in order to do what is expected. But if she doesn’t want to give an auntie a kiss, then she doesn’t have to. That has nothing to do with respect, but with respecting your own boundaries.”
Ze vinden het fijn dat Mutiara het Maleis nog meekrijgt en dat ze een grote familie heeft, maar ze proberen haar weg te houden van de dwingende loyaliteit. Gloria: ‘Ik denk dat we vaak over onze grenzen gaan om te doen wat verwacht wordt. Maar als zij een tante geen kusje wil geven, dan hoeft ze dat niet. Dat heeft niets met respect te maken, maar met je eigen grenzen respecteren.’
This summer they are going to the Moluccas again. This time with Mutiara and Gloria’s parents. Gloria: “It will shape her. She will see that she comes from there, but she will also know that she comes just as much from here. She is a human being. And a human being is free.”
Deze zomer gaan ze weer naar de Molukken. Nu met Mutiara en Gloria’s ouders. Gloria: ‘Het zal haar gaan vormen. Ze zal zien dat ze daar vandaan komt, maar ze weet ook dat ze net zo goed hier vandaan komt. Ze is een mens. En een mens is vrij.’