Dear Etty
Etty Hillesum endures as a troubling, luminous figure because her spiritual resistance to evil was lived not as abstraction but as a young woman’s radical, intimate, and ultimately fatal discipline of conscience.

Beste Etty.
Dear Etty.
Nog maar vorige maand schreven lezers van de Volkskrant op uitnodiging van schrijfster Gerda Blees brieven aan de in 1943 vermoorde Etty Hillesum alsof ze een intieme vriendin was.
Only last month, readers of de Volkskrant, at the invitation of the writer Gerda Blees, wrote letters to Etty Hillesum, murdered in 1943, as though she were an intimate friend.
Dearest Etty.
Lieve Etty.
For Blees herself, Hillesum is “a kind of superhero of the spirit.” When she cannot sleep, she takes An Interrupted Life from her bedside table. “I don’t ask myself what she would have done, but what she would have thought, or how she would have looked.”
Voor Blees zelf is Hillesum ‘een soort superheld van de geest’. Als ze niet kan slapen, pakt ze Het verstoorde leven van haar nachtkastje. ‘Ik vraag me niet af wat ze zou hebben gedaan, maar wat ze zou hebben gedacht, of hoe ze zou hebben gekeken.’
Even if we are not bowed down beneath the direct terror she faced, we might learn something from her about holding our ground. Perhaps even about being a good person. That was the idea behind the Etty Hillesum Writing Competition conceived by Blees. A passage from Hillesum’s diary of February 1942 served as inspiration.
Al gaan we niet gebukt onder de directe terreur waarmee zij te maken had, we zouden wat van haar kunnen opsteken om ons staande te houden. Misschien zelfs een goed mens te zijn. Dat was het idee achter de Etty Hillesum Schrijfwedstrijd die Blees bedacht. Ter inspiratie diende een passage uit Hillesums dagboek van februari 1942.
At the time she is studying Slavic languages at the University of Amsterdam and runs into a fellow student. He tells her about a mutual acquaintance who has been tortured to death by the Germans. “The beasts, they destroyed him.” He wondered aloud: “What is it in human beings that makes them want to destroy others?” To which she replied, as she writes in her diary: “Human beings, yes, human beings, but remember that you are one of them too.” With some self-mockery she notes that she went on “preaching” to this “stubborn, morose” friend with his large purple winter hands. “That rottenness in others is in us too,” she teaches him. “And I really see no other solution than to turn inward to your own center and there to root out all that rottenness.”
Ze studeert dan Slavische talen aan de Universiteit van Amsterdam en komt een studievriend tegen. Deze vertelt haar over een gemeenschappelijk kennis die is doodgemarteld door de Duitsers. ‘De beesten, ze hebben hem kapot gemaakt.’ Hij vroeg zich hardop af: ‘Wat is dat toch in de mens om anderen kapot te willen maken?’ Waarop zij antwoordde, zoals ze in haar dagboek schrijft: ‘De mensen, ja de mensen, maar bedenk, dat je daar zelf ook onder valt.’ Met enige zelfspot noteert ze nog even door te blijven ‘preken’ tegen deze ‘bokkige, norse’ vriend met zijn grote paarse winterhanden. ‘Die rottigheid van anderen zit in ons ook’, leert ze hem. ‘En ik zie werkelijk geen andere oplossing dan in je eigen centrum in te keren en daar uit te roeien al die rottigheid.’
A beautiful thought, as humanist as it is timeless: how to relate to the rottenness of humanity that also lurks within yourself. A thought almost too beautiful to be true, even a little repellent when you think of the real murderous Nazi practices of those years and what one might set against them. From many other mouths it would sound powerless and gratuitous, irritating and unctuous. But here it is written by someone of whom we know that she did not merely profess her ideas with words but lived them, until she would be murdered in Auschwitz a year and a half later.
Een mooie gedachte, even humanistisch als tijdloos: hoe je te verhouden tot de rottigheid der mensheid die ook in jezelf schuilgaat. Een gedachte die bijna te mooi is om waarlijk te zijn, een beetje afstotelijk zelfs als je denkt aan reële moordlustige nazipraktijken in die jaren en wat je daar tegenover zou kunnen stellen. Uit vele andere monden zou dit machteloos en gratuit klinken, irritant en zalvend. Maar nu wordt dit geschreven door iemand van wie we weten dat ze haar gedachtegoed niet slechts met de mond beleed maar dat ook vóórleefde, tot ze anderhalf jaar later vermoord zou worden in Auschwitz.
Through her diaries and letters we can follow her becoming at close range, from seeker to seer, you might say, from despairing woman to fighter. A kind of Joan of Arc, but without a sword, inspired by visions and ending at the stake. Five centuries later she was canonized by the pope. That has not quite happened to Hillesum, but in non-papal circles she has indeed acquired the status of a saint.
Via haar dagboeken en brieven kunnen we haar werdegang van nabij volgen, van zoekende naar ziener zou je kunnen zeggen, van wanhopige naar strijder. Een soort Jeanne d’Arc, maar dan zonder zwaard, die geïnspireerd werd door visioenen en op de brandstapel belandde. Vijf eeuwen later werd ze door de paus heilig verklaard. Dat laatste is nog net niet met Hillesum gebeurd, maar in niet-pauselijke kringen heeft ze wel degelijk een heilige status verworven.
When her diaries first appeared in compiled form in 1981 under the title An Interrupted Life, NRC columnist J.L. Heldring praised her honesty, her intelligence, her spontaneity, her humor, and at once proclaimed her “the saint of Museumplein.” Hillesum did not in fact live directly on Museumplein, but she looked out over it from behind the desk in her room on Gabriël Metsustraat. The tree directly in her line of sight seemed to her, as the patient witness of her life, a dream biographer.
Toen haar dagboeken in 1981 voor het eerst in compilatie verschenen onder de titel Het verstoorde leven, roemde NRC-columnist J.L. Heldring haar eerlijkheid, haar intelligentie, haar spontaniteit, haar humor en riep haar meteen al uit tot ‘de heilige van het Museumplein’. Hillesum woonde weliswaar niet direct aan het Museumplein, maar keek er vanachter haar bureau in haar kamer aan de Gabriël Metsustraat op uit. De boom direct in haar zicht leek haar, als de geduldige getuige van haar leven, een gedroomde biograaf.
Funny, that fantasy at twenty-seven of a biographer, tree or no tree. Perhaps because from childhood she had also dreamed of becoming a great writer. She herself made sure to place her diaries in safekeeping in time, with someone she could suspect would have the right connections to get them published. But surely she could not have dreamed that their publication would one day be celebrated in the Concertgebouw on that same Museumplein, albeit only in the early 1980s. Closer to the war, people found her diaries too philosophical, and not concrete enough about the war years.
Grappig, die fantasie op haar 27ste over een biograaf, boom of niet. Misschien omdat ze er ook al van kinds af aan van droomde een groot schrijver te worden. Ze zorgde er ook zelf voor haar dagboeken op tijd in bewaring te geven, bij iemand van wie ze kon vermoeden dat hij de juiste connecties zou hebben om ze te laten publiceren. Maar ze had vast niet kunnen dromen dat in het Concertgebouw aan datzelfde Museumplein ooit die publicatie gevierd zou worden, zij het pas begin jaren tachtig. Korter na de oorlog vond men haar dagboeken te filosofisch, en te weinig concreet over de oorlogsjaren.
In the nearly five decades that have passed since the first revelation of her thought, and since she was almost immediately translated worldwide, attention to her has in no way slackened. On the contrary, Etty Hillesum seems more present than ever, as though this uncertain and bloodthirsty age again has a strong need for the detached gaze of a mystic malgré elle. She became a symbol of light and courage.
In de bijna vijf decennia die sinds de eerste openbaring van haar gedachtegoed zijn verstreken, en ze vrijwel onmiddellijk wereldwijd werd vertaald, is de aandacht voor haar op geen enkele manier verflauwd. Sterker nog, Etty Hillesum lijkt aanweziger dan ooit, alsof deze onzekere en bloeddorstige tijd weer sterke behoefte heeft aan de onthechte blik van een mystica tegen wil en dank. Ze werd een symbool van licht en moed.
Think of the writing competition I just mentioned, which drew a broad response, but also of the self-evident way she suddenly appears in a report that journalist Simone Korkus wrote for this magazine in June last year. Netanyahu had begun bombing Iran and the counterattacks had started. “I feel like a repository of precious life,” Korkus wrote, running between home, alarm call, and safe space, trying not to panic.
Denk aan de schrijfwedstrijd die ik net noemde, waaraan ruim gevolg werd gegeven, maar ook aan de vanzelfsprekende manier waarop ze zomaar opduikt in een reportage die journaliste Simone Korkus voor dit blad schreef juni vorig jaar. Netanyahu was begonnen Iran te bombarderen en de tegenaanvallen waren ingezet. ‘Ik voel me als een bewaarplaats van kostbaar leven’, schreef Korkus, rennend tussen huis, alarmoproep en safe space, proberend niet in paniek te raken.
That phrase about the repository is a reference to a diary passage by Etty Hillesum, quoted by Korkus in full later in the piece: “I feel like the repository of a precious piece of life, with all the responsibility that entails. I feel responsible for the beautiful and great feeling for this life that I have within me, and I must try to steer it undamaged through this time, toward a better time.” Korkus knows whom to invoke when she wants, from the heart, to express her sympathy for the inhabitants of the Middle East, from Israel to Iran, Syria to Gaza and the West Bank. Not for the leaders, not for the politicians, but for the people entangled in “an unimaginable web of hatred, violence, and lawless destruction.”
Die zinsnede van de bewaarplaats is een referentie aan een dagboekpassage van Etty Hillesum, door Korkus verderop in het stuk in z’n geheel geciteerd: ‘Ik voel me als de bewaarplaats van een kostbaar stuk leven, met alle verantwoordelijkheid daarvoor. Ik voel me verantwoordelijk voor het mooie en grote gevoel voor dit leven dat ik in me heb en dat moet ik onbeschadigd door deze tijd heen trachten te loodsen, naar een betere tijd toe.’ Korkus weet wie ze moet aanroepen als ze vanuit haar hart haar meegevoel wil betuigen voor de bewoners van het Midden-Oosten, van Israël tot Iran, Syrië tot Gaza en de Westoever. Niet voor de leiders, niet voor de politici, maar voor de mensen die verstrikt zijn in ‘een onvoorstelbaar web van haat, geweld en bandeloze vernietiging’.
To this day Hillesum’s life and work form a guide, a source of inspiration, a handhold. As intuitively as she scrawled her words into her notebooks, eight of which were preserved in all, by turns high-flown and prosaic and usually all of this at once, and at first directed more toward her inner world than the outer one, so much power did they prove to contain and to unleash. Two and a half years ago a strong, exhaustive biography appeared, Etty Hillesum: The Story of Her Life, written by Judith Koelemeijer. Studies and exegeses appear on her work: The Collected Works of Diaries and Letters (1941-1943) dates from 2021 and runs to 876 pages; comparisons with Kierkegaard, Dostoevsky, Seneca; feats of close reading such as the recent warm-blooded A Separate Kind of Courage: Etty Hillesum Now, by the literary scholar Jan Oegema, who had already written inspiritingly about her in A Strange Happiness: The Public Religion around Auschwitz. A person with a mission, he calls her, comparable to Jesus, Gandhi, Francis. Stranger and wilder than Antigone, a second, braver self.
Tot op de dag van vandaag vormen Hillesums leven en werk een leidraad, een inspiratiebron, een houvast. Zo intuïtief als ze haar woorden neerkalkte in haar schriftjes, acht in totaal werden er bewaard, afwisselend hoogdravend en prozaïsch en meestal dit alles tegelijkertijd, en in eerste instantie meer op haar eigen binnen- dan op de buitenwereld gericht, zoveel kracht bleken ze in zich te bergen én los te maken. Tweeënhalf jaar geleden verscheen een sterke, uitputtende biografie, Etty Hillesum: Het verhaal van haar leven, geschreven door Judith Koelemeijer. Over haar werk – Het verzameld werk van dagboeken en brieven (1941-1943) dateert van 2021 en beslaat 876 bladzijden – verschijnen studies en exegeses, vergelijkingen met Kierkegaard, Dostojewski, Seneca, staaltjes van close reading zoals onlangs in het warmbloedige Een apart soort moed: Etty Hillesum nu, van de hand van letterkundige Jan Oegema, die eerder al begeesterend schreef over haar in Een vreemd geluk: De publieke religie rond Auschwitz. Een mens met een missie, noemt hij haar, vergelijkbaar met Jezus, Gandhi, Franciscus. Vreemder en wilder dan Antigone, een tweede, dapperder ik.
The times are uncertain enough to have ears again for Hillesum’s peace-loving message; perhaps that is how one should see it. This year, too, the Flemish, Polish-born writer and philosopher Alicja Gescinska published Women in Dark Times: Ten Thinkers of Lasting Significance, with which she won the Socrates Cup for the best philosophy book. A good philosopher forces you to look beyond your own ideas, she writes in her introduction. And it is precisely of women philosophers that she wants to know how they maintain themselves in a world dominated by men. Etty Hillesum is one of the ten thinkers, alongside monastic types such as Simone Weil and Edith Stein. Resistance can take many forms, Gescinska concludes on the basis of the choices Hillesum made.
De tijd is onzeker genoeg om weer oren te hebben voor de vredelievende boodschap van Hillesum, misschien moet je het zo zien. Oók dit jaar verscheen van de Vlaamse, in Polen geboren schrijver en filosoof Alicja Gescinska het boek Vrouwen in duistere tijden: Tien denkers van blijvende betekenis, waarmee zij de Socratesbeker won voor het beste filosofieboek. Een goede filosoof dwingt je voorbij je eigen denkbeelden te kijken, schrijft ze in haar inleiding. En juist van vrouwelijke filosofen wil ze weten hoe ze zich handhaven in een door mannen gedomineerde wereld. Etty Hillesum is een van de tien denkers, naast kloosterlijke types als Simone Weil en Edith Stein. Verzet kan vele vormen aannemen, concludeert Gescinska op grond van de keuzes die Hillesum maakte.
And then this month saw the launch of the six-part television series Etty, by the Israeli filmmaker Hagai Levi, known for series such as In Treatment and The Affair. Years ago he began this project because he had been touched by the “extremely modern, extremely intimate, wonderfully written story of a spiritual journey” that he found in her work, and for the series he placed this story in a kind of timeless present.
En dan is nog deze maand de zesdelige televisieserie gelanceerd, Etty, van de Israëlische filmmaker Hagai Levi die bekend is van series als In therapie en The affair. Jaren geleden begon hij aan dit project omdat hij geraakt was door het ‘extreem moderne, extreem intieme, geweldig geschreven verhaal van een spirituele reis’ dat hij in haar werk aantrof, en hij plaatste dit verhaal voor de serie in een soort tijdloos heden.
Well then! With those three words plus exclamation mark, Etty Hillesum began her diary on March 9, 1941. She continued: “This will be a painful and almost insurmountable moment for me: surrendering the inhibited mind to a silly piece of lined paper.”
Vooruit dan maar! Met die drie woorden plus uitroepteken begon Etty Hillesum op 9 maart 1941 haar dagboek. Om te vervolgen: ‘Dit wordt een pijnlijk en haast onoverkomelijk moment voor mij: het geremde gemoed prijsgeven aan een onnozel stuk lijntjespapier.’
How many girls or young women will not have begun their diaries like that, and still do? Hesitantly. Shamefacedly. Burning with the feeling of being exceptional. “The thoughts are sometimes so clear and bright in my head and the feelings so deep, but writing them down, that still won’t come.”
Hoeveel meisjes of jonge vrouwen zullen niet zo hun dagboek zijn begonnen, en nog steeds? Aarzelend. Schaamtevol. Brandend van het gevoel uitzonderlijk te zijn. ‘De gedachten zijn soms zo klaar en helder in m’n hoofd en de gevoelens zo diep, maar opschrijven, dat wil nog niet.’
Etty was twenty-seven. Someone, an older man of course, with whom she was becoming enthralled, had advised her to start making notes. After a few sentences she already writes something strikingly shameless. Something intimate, perhaps that is better put. She compares her inhibition about giving things away with the “shyly remaining stuck in the breast” of the last liberating cry during “sexual intercourse.” This, apparently, is what we must immediately know about her: “Erotically I am refined, I would almost say seasoned enough to belong among the good lovers (...).”
Etty was 27. Iémand, een oudere man natuurlijk van wie ze in de ban aan het raken was, had haar aangeraden notities te gaan maken. Na een paar zinnen schrijft ze al iets opvallend schaamteloos. Iets intiems, misschien is dat beter gezegd. Ze vergelijkt haar geremdheid om de dingen prijs te geven met het ‘schuw in de borst blijven steken’ van de laatste bevrijdende schreeuw bij ‘het geslachtelijk verkeer’. Dit is wat we kennelijk meteen van haar moeten weten: ‘Erotisch ben ik geraffineerd, ik zou haast zeggen doorgewinterd genoeg om tot de goede minnaressen te behoren (…).’
She was small and full, a little plump. The surviving photographs show a serene beauty in the manner of Carry van Bruggen, curls, thoughtful profile; the cigarette between her fingers completes a sexy image, but there are also photographs, often group photographs, in which she looks more “ordinary,” a little everyday and elderly. Judith Koelemeijer, her biographer, speaks of “a young, sensual woman.” According to one lover she had breasts like “heavy bunches of grapes.” She was thought awkward and shy, but she was not afraid. In no time at all she was sitting on Julius Spier’s lap.
Ze was klein en vol, een beetje mollig. De overgeleverde foto’s tonen een Carry van Bruggen-achtige serene schoonheid, krullen, nadenkend profiel, de sigaret tussen haar vingers completeert een sexy beeld, maar er zijn ook foto’s, vaak groepsfoto’s, waarop ze er ‘gewoner’ uitziet, een beetje dagelijks en ouwelijk. Judith Koelemeijer, haar biograaf, heeft het over ‘een jonge, sensuele vrouw’. Volgens een minnaar had ze borsten als ‘zware druiventrossen’. Ze ging door voor onhandig en verlegen, maar ze was niet bang. Binnen de kortste keren zat ze bij Julius Spier op schoot.
Julius S., yes, consistently referred to by her as S. in her diary. It is impossible to write about Hillesum without bringing in Spier, this man who had already lived a life as a bank director in Germany and who, in his fifties in Amsterdam, converted to psychochirology, that is, palm reading. A biography of him also appeared this year, incidentally: Julius Spier and the Art of Palm Reading, by the historian Alexandra Nagel.
Julius S. ja, door haar consequent met S aangeduid in haar dagboek. Het is niet mogelijk om over Hillesum te schrijven zonder Spier erbij te betrekken, deze man die er al een leven als bankdirecteur in Duitsland op had zitten en die zich als vijftiger in Amsterdam bekeerde tot de psychochirologie, oftewel de handleeskunde. Ook van hem verscheen overigens dit jaar een biografie, Julius Spier en de kunst van het handlezen, van historicus Alexandra Nagel.
People write and think about Spier in widely varying ways. He was supposedly a fraud, a charlatan; he had a circle of mostly women around him, somewhat mockingly called the Spier Club. I understand what kind of man this was when I read in Koelemeijer’s biography how, one day in the tram, he suddenly gets a potential follower in his sights.
Er wordt nogal verschillend over Spier geschreven en gedacht. Hij zou een oplichter zijn, een charlatan, hij had een kring van vooral vrouwen om zich heen, een beetje spottend de Spierclub geheten. Ik begrijp wel wat voor een man dit was als ik in de biografie van Koelemeijer lees hoe hij zomaar op een dag in de tram een potentiële volgeling in zijn vizier krijgt.
“Is this the Spui?” he asks the woman or girl opposite him.
‘Is dit het Spoi?’ vraagt hij aan de vrouw of het meisje tegenover hem.
Only then to say to her: “You sing very well, but you are not a singer.”
Om vervolgens tegen haar te zeggen: ‘U zingt heel goed, maar u bent geen zangeres.’
She: “How do you know that? Are you clairvoyant?”Zij: ‘Hoe weet u dat? Bent u helderziend?’
“No, I am a psychochirologist and I can see it in your hands.”‘Nee ik ben psychochiroloog en ik zie het aan uw handen.’
“Can you also see what profession I do practice?”‘Kunt u dan ook zien welk beroep ik wél uitoefen?’
He: “Teacher or librarian.”Hij: ‘Onderwijzeres of bibliothecaresse.’
The woman taught at a domestic science school, and was sold. She also took up her singing again.
De vrouw gaf les op een huishoudschool, en was verkocht. (Legde zich ook weer toe op haar zangkunst.)
Etty experienced her first meeting with Spier in his practice in Amsterdam-Zuid as nothing less than a rebirth. The reason she rang his doorbell, on February 3, 1941, was that a housemate had told her how Spier had read his hands. By then she had already graduated with a law degree and was studying Slavic languages. She was gloomy, suffered from headaches and stomachaches, was afraid of the madness in her family.
Etty ervoer haar eerste ontmoeting met Spier in zijn praktijk in Amsterdam-Zuid als niet minder dan een wedergeboorte. Dat ze bij hem aanbelde, op 3 februari 1941, kwam doordat een huisgenoot haar had verteld hoe Spier zijn handen had gelezen. Ze was op dat moment al afgestudeerd als meester in de rechten en studeerde Slavische talen. Ze was somber, had last van hoofd- en maagpijn, was bang voor de gekte in haar familie.
Her father Louis, who had grown up in Amsterdam’s Jewish quarter around Waterlooplein, was a classicist and headmaster of a grammar school in Deventer. Her mother, Riva, had fled Russia and ended up in Amsterdam in 1907. Etty had two younger brothers, Jaap and Mischa, of whom the latter especially, a gifted pianist, was mentally rather unstable, perhaps schizophrenic. There was a good deal of quarrelling and chaos at home, and many moves. Etty was born in Middelburg, on January 15, 1914. For as long as Etty could remember, an aunt had been locked up in an institution because of her delusions, which made the fear of diseased genes more real.
Haar vader Louis, opgegroeid in de Amsterdamse Jodenbuurt rond het Waterlooplein, was classicus en rector aan een gymnasium in Deventer. Haar moeder, Riva, was uit Rusland gevlucht en in 1907 in Amsterdam beland. Etty had twee jongere broers, Jaap en Mischa, van wie vooral de laatste, begaafd pianist, geestelijk nogal instabiel was, misschien schizofreen. Er was nogal wat ruzie en chaos thuis, en er werd veel verhuisd. Etty werd geboren in Middelburg, op 15 januari 1914. Een tante zat zolang Etty zich kon heugen vanwege haar waanideeën opgesloten in een gesticht, wat de angst voor ziekelijke genen reëler maakte.
Her mother in particular was experienced by Etty as a source of interference. Always busy and coercive, always preoccupied with food. Her “little father” withdrew into his study. Ogge nebbisj was his motto: it is what it is. A freethinking figure, who himself changed his name from Levie to Louis. The parents and grandparents were indeed Jewish-rooted, both in Amsterdam and in the Russian shtetl, but with the move to Deventer there were also more and more non-Jewish acquaintances and colleagues.
Vooral haar moeder werd door Etty ervaren als een stoorzender. Altijd druk en dwingend, altijd met eten bezig. Haar ‘vadertje’ trok zich terug in zijn studiekamer. Ogge nebbisj was zijn lijfspreuk: het is wat het is. Een vrijzinnige figuur, die zijn naam Levie zelf veranderde in Louis. De ouders en grootouders waren weliswaar joods geworteld, zowel in Amsterdam als in het Russische sjetl, maar met de verhuizing naar Deventer waren er ook steeds meer niet-joodse kennissen en collega’s.
Only with the arrival of the Germans did Etty become aware again of “her chosen bloodstream.” On January 10, 1941, she had to have herself registered. She reports on it in her diary. “Must children under fifteen be registered too?” she asks the official on duty. “Madam, even if they are an hour old.”
Pas met de komst van de Duitsers werd Etty zich weer bewust van ‘haar uitverkoren bloedsomloop’. Op 10 januari 1941 moest ze zich laten registreren. Ze doet er verslag van in haar dagboek. ‘Moeten kinderen beneden vijftien jaar ook aangemeld worden?’ vraagt ze de ambtenaar van dienst. ‘Mevrouw, al zijn ze een uur oud.’
Under religious denomination she fills in: none. She no longer went to the synagogue, had outgrown the Jewish rituals.
Bij kerkgenootschap vult ze in: geen. Ze ging niet meer naar de synagoge, was de joodse rituelen ontgroeid.
At question nine it came down to it. How many “Jewish grandparents” were there? To prevent mistakes with unclearly written numerals, the answer had to be filled in with letters. Four, Etty filled in.
Bij vraag negen kwam het erop aan. Hoeveel ‘Joodsche grootouders’ waren er? Om vergissingen met onduidelijk genoteerde cijfers te voorkomen, moest het antwoord in letters worden ingevuld. Vier, vulde Etty in.
With that her fate was sealed, her biographer writes. She was now officially “full-Jewish.” But what was her fate? And in what way did she gradually accept it, or not?
Daarmee was haar lot bezegeld, schrijft haar biograaf. Ze was nu officieel ‘vol-Jood’. Maar wat was haar lot? En op welke manier ging ze dat allengs al dan niet aanvaarden?
For the time being Julius Spier claims all the attention. “His transparent pure eyes, his heavy sensual mouth; his bull-like heavy build and the feather-light liberated movements,” she notes on those first diary pages. “The struggle between matter and spirit, which in this fifty-four-year-old man is still in full swing. And it seems as though I am being crushed beneath the weight of that struggle. I am buried beneath that personality and cannot get out from under it (...).”
Vooralsnog eist Julius Spier alle aandacht op. ‘Zijn doorzichtige reine ogen, zijn zware zinnelijke mond; zijn stierachtige zware gestalte en de vederlichte bevrijde bewegingen’, zo noteert ze op die eerste dagboekpagina’s. ‘De strijd tussen stof en geest, die bij deze 54-jarige man nog in volle gang is. En het lijkt of ik verpletterd word onder het gewicht van die strijd. Ik word bedolven onder die persoonlijkheid en kan er niet onderuit komen (…).’
In her too a struggle is unleashed, one between aversion and desire. Aren’t his teeth false, the eyes gray, the mouth very fleshy? “What do you want with that man, that idler, with that dreadful body and that belly?” a friend would later ask. Etty writes in her diary: “I cursed myself like a farmhand and told myself that I am no longer a hysterical schoolgirl.” But he does something to her, immediately.
Bij haar wordt ook een strijd ontketend, eentje tussen afkeer en verlangen. Zijn z’n tanden niet vals, de ogen grauw, de mond wel erg vlezig? ‘Wat moet je met die man, die flierefluiter, met dat vreselijke lichaam en die buik?’ zou later een vriendin vragen. Etty schrijft in haar dagboek: ‘Ik heb gevloekt als een polderjongen tegen mezelf en me gezegd dat ik toch geen hysterische bakvis meer ben.’ Maar hij doet wat met haar, onmiddellijk.
“All my life I have had the feeling: if only someone would come along who took me by the hand and involved himself with me; I seem capable and do everything alone, but I would so terribly like to surrender myself.” Dorothea Brooke had her Casaubon, in George Eliot’s Middlemarch; Hannah Arendt her Heidegger; Etty Hillesum had Spier. She knows it for certain: such a man, so wise and exalted, from whom she can learn everything and who sees her as no one else does, she will never meet again.
‘M’n leven lang heb ik het gevoel gehad: kwam er maar iemand die me bij de hand nam en die zich met me bemoeide, ik lijk flink en doe alles alleen, maar ik zou me zo verschrikkelijk graag uitleveren.’ Dorothea Brooke had haar Casaubon (in George Eliots Middlemarch), Hannah Arendt haar Heidegger, Etty Hillesum had Spier. Ze weet het zeker: zo’n man, zo wijs en verheven, van wie ze alles kan leren en die haar ziet als geen ander, zal ze nooit meer ontmoeten.
Her palms are enough for him to write a “protocol” of her, to speak “redeeming” words about her depressions, her troubled relationship with her family. Thus he sees that she suppresses her feelings, is too focused on thinking, which gives her those headaches and constantly makes her need to lie down for a moment. He does gymnastics and breathing exercises with her. He teaches her no longer to make demands of her parents, which immediately brings a very great calm. There are wrestling bouts, also part of the treatment. Unprecedented physical reactions are aroused on both sides, often ending on a mattress on the floor. Never on the softer bed, for that domain belongs to Spier’s fiancée in London, almost thirty years his junior.
Aan haar handpalmen heeft hij genoeg om een ‘protokol’ van haar te schrijven, ‘verlossende’ woorden te spreken over haar depressies, haar getroebleerde relatie tot haar familie. Zo ziet hij dat ze haar gevoelens onderdrukt, te veel op het denken gericht is waardoor ze die hoofdpijn krijgt en voortdurend even moet liggen. Hij doet gymnastiek- en ademhalingsoefeningen met haar. Hij leert haar niet langer eisen te stellen aan haar ouders, wat acuut héél veel rust brengt. Er zijn worstelpartijen, ook deel uitmakend van de behandeling. Wederzijds worden er ongekende fysieke reacties opgewekt, vaak op een matras op de vloer eindigend. Nooit op het zachtere bed, want dat domein behoort Spiers bijna dertig jaar jongere verloofde in Londen toe.
Become who you are: that was his adage. Of the Germans he said: but surely they are not all criminals. The only answer to hatred, in his view, was not hating. That attitude of reconciliation and acceptance immediately drew her enormously to him. Spier taught her to read the Bible. He activated her writing by encouraging her to keep a diary. In January 1942 she writes a long letter to Spier, a Yearly Confession, her first sample of a writer in the making. The letter was written, but unfortunately not preserved.
Worden wie je bent, dat was zijn adagium. Over de Duitsers zei hij: maar het zijn toch niet állemaal misdadigers. Het enige antwoord op de haat was volgens hem niet-haten. Die houding van verzoening en aanvaarding trok haar meteen enorm in hem aan. Spier leerde haar de bijbel lezen. Activeerde haar schrijven door haar te stimuleren een dagboek bij te gaan houden. In januari 1942 schrijft ze een lange brief aan Spier, een Jaarbiecht, haar eerste proeve van een schrijfster in wording. De brief is geschreven, maar jammer genoeg niet bewaard.
Until mid-June of that year she is too full of Spier to have an eye for what is happening in her occupied city, or so it seems when you read her diary. She goes through all the phases of possessiveness and jealousy; she wants to be the number-one woman of the Spier group. A complicating factor is that she rents a room from Han Wegerif, an older widower with a grown son living at home, with whom, without any of her friends knowing it, she has had a relationship for years. In the corridors this amiable and quiet man with a pipe is also called “Pa Han,” including by her. “Surely honesty does not consist in telling each other everything,” she swore to her feeling of guilt toward him in her diary. If she did reveal something of herself, she felt afterward fragmented and sad.
Tot half juni van dat jaar is ze te vol van Spier om oog te hebben voor wat er in haar bezette stad gebeurt, zo lijkt het als je haar dagboek leest. Ze gaat alle fases van bezitterigheid en jaloezie door, ze wil de nummer één vrouw van de Spiergroep zijn. Complicerende factor is dat ze een kamer huurt bij Han Wegerif, een oudere weduwnaar met een volwassen thuiswonende zoon, met wie ze zonder dat iemand van haar vrienden dat weet al jaren een verhouding heeft. In de wandelgangen wordt deze aimabele en rustige man met pijp ook door haarzelf ‘pa Han’ genoemd. ‘Eerlijkheid bestaat toch niet in het alles aan elkaar vertellen’, bezwoer ze haar schuldgevoel jegens hem in haar dagboek. Als ze wel iets van zichzelf openbaarde, voelde ze zich erna versplinterd en treurig.
Is Etty, who for me by now too is sufficiently contained in her first name, as Renate Rubinstein became “Renate” to all and sundry, someone who consciously withholds things from those around her? Or is she simply a young woman who refuses to be pinned down? Who lives several lives alongside one another, as people do? And of whom, therefore, divergent testimonies have also come down to us.
Is Etty – die ook voor mij inmiddels genoeg heeft aan haar voornaam, zoals Renate Rubinstein voor Jan en alleman ‘Renate’ werd – iemand die bewust dingen achterhoudt voor haar omgeving? Of is zij gewoon een jonge vrouw die zich niet voor één gat laat vangen? Die verschillende levens naast elkaar leeft zoals mensen dat nu eenmaal doen? En van wie dus ook uiteenlopende getuigenissen zijn overgeleverd.
She was said to be a cheerful and enjoyable person, but others saw first and foremost someone deathly shy and uncertain. She had a roguish glance that betrayed how well she knew what she had to offer as a lover. She had a swaying, slow way of walking. She had eczema on her arms, which looked a little dirty. Dangerous woman, judged one friend. Pushy and nerve-racking. Another: she did not go to bed with every man, but she did with every second man. How strangely she is behaving, her friends thought when she began talking more and more often about God. That airy idealism, surely that did not suit her at all?
Ze zou een vrolijk en leuk persoon zijn, maar anderen zagen op de eerste plaats een doodverlegen en onzeker iemand. Ze had een schalkse oogopslag die verraadde dat ze heel goed wist wat ze als minnares te bieden had. Ze had een schommelende, trage manier van lopen. Ze had eczeem op haar armen, wat er een beetje viezig uitzag. Gevaarlijke vrouw, oordeelde een vriendin. Drammerig en zenuwslopend. Een ander: ze ging niet met elke man naar bed, maar wel met elke tweede man. Wat doet ze vreemd, dachten haar vrienden toen ze steeds vaker over God begon. Dat zweverige idealisme, dat paste toch helemaal niet bij haar?
Perhaps to grasp Etty fully you have to be a film director, someone who can make her into a multidimensional character. Someone struck in the midst of life, in whom everything is happening at once, who is young, impressionable, impulsive, high-flown, searching, radical. In the television series Etty we see a contemporary young woman cycling through Amsterdam, with a Freitag bag on her back that I also own. It is and is not the past; the houses in Zuid that she enters are old-fashioned, the landline telephones, the curtains. The diary texts are partly delivered by voice-over, solemn and intense, high-flown, certainly in contrast with the “are you okay?” with which friends look worriedly into each other’s eyes. In the street there is the tinny sound of permanent surveillance as we know it from The Handmaid’s Tale. The city is occupied, there are signs, but it becomes clear only slowly that this is indeed the historical situation. The soldiers wear caps and speak German. A Jewish Council is seated on the canal, where the desperate jostle one another, hoping for exemption from deportation.
Om Etty ten volle te kunnen vatten moet je misschien een filmregisseur zijn, die van haar een meerdimensionaal personage kan maken. Iemand die midden in het leven wordt getroffen, bij wie van alles tegelijkertijd speelt, die jong is, beïnvloedbaar, impulsief, hoogdravend, zoekend, radicaal. In de televisieserie Etty zien we een hedendaagse jonge vrouw fietsen door Amsterdam, met een tas van Freitag op haar rug die ik ook heb. Het is wel en niet vroeger, die huizen in Zuid waar ze binnengaat zijn ouderwets, de vaste telefoons, de gordijnen. De dagboekteksten worden deels via een voice-over voorgedragen, gedragen en intens, hoogdravend, zeker in contrast met het ‘ben je oké?’ waarmee vrienden elkaar bezorgd in de ogen kijken. Op straat klinkt het blikkerige geluid van een permanente surveillance zoals we dat kennen van A Handmaid’s Tale. De stad wordt bezet, er staan borden, maar het wordt pas langzaam duidelijk dat het toch echt om de historische situatie gaat. De militairen hebben petten op en praten Duits. Er zetelt een Joodse Raad aan de gracht waar de wanhopigen elkaar verdringen, hopend op vrijstelling van deportatie.
The intimacy of the diary is difficult to turn into scenes; sometimes, for instance when Spier draws his ink roller over Etty’s palms, it is as though a picture book has been brought to life. Oh, so that is how the wolf lay waiting for Little Red Riding Hood.
De intimiteit van het dagboek laat zich moeilijk in scènes omzetten, het is soms, bijvoorbeeld als Spier zijn inktroller over Etty’s handpalmen haalt, alsof een prentenboek tot leven wordt gewekt. O, zó lag de wolf op Roodkapje te wachten.
At other moments more metaphorical images have been sought for ever-tightening regulations. A growing column of cyclists moves through the city to surrender their bicycles collectively somewhere by the IJ. Before everyone’s eyes they are mechanically compressed onto a great scrap heap. Voice-over: “Everything I lose is one thing fewer to lose.”
Op andere momenten is er gezocht naar meer metaforische beelden voor telkens nauwere verordeningen. Een groeiende colonne aan fietsers trekt door de stad om ergens bij het IJ collectief de fietsen in te leveren. Voor ieders ogen worden ze op een grote schroothoop machinaal samengeperst. Voice-over: ‘Alles wat ik verlies, is weer een ding minder om te verliezen.’
The growing crisis of conscience of a “real” human being, whom you see dancing, crying, showering, fighting, comes closest above all when Etty’s texts are given free rein, without the noise of a reenacted reality. A friend who works for the Dutch Broadcasting Service has an illegal recording studio in the basement of his house, where she speaks her diaries into a recorder. An ingeniously devised situation, because the friend can ask her questions, especially when the complicated concept of God makes its entrance into her diary.
De groeiende gewetensnood van een ‘echt’ mens, dat je ziet dansen, huilen, douchen, vechten, komt vooral dichtbij als Etty’s teksten vrij baan krijgen, zonder de ruis van een nagespeelde werkelijkheid. Een vriend die bij de Nederlandse Omroep werkt, heeft in de kelder van zijn huis een illegale opnamestudio waar zij haar dagboeken inspreekt. Een ingenieus bedachte situatie, omdat de vriend haar vragen kan stellen, met name als het ingewikkelde Godsbegrip zijn intrede gaat doen in haar dagboek.
“God, I need a sign,” Etty writes when a summons for deportation has arrived for her. Can she obtain an exceptional position through a job with the Jewish Council? Can she help others by means of doctors’ statements? “Without us it would all have been even worse,” someone from the Jewish Council tells her. She herself discovers: “It is one great filthy mess.” And then it is a matter of waiting for the sign. “That which is inside me must take form and guide me. What must I do?”
‘God, ik heb een teken nodig’, schrijft Etty als er voor haar een oproep is binnengekomen voor deportatie. Kan ze via een baantje bij de Joodse Raad een uitzonderingspositie verkrijgen? Kan ze anderen helpen met behulp van doktersverklaringen? ‘Zonder ons was het allemaal nog erger geweest’, zegt iemand van de Joodse Raad tegen haar. Zelf komt ze erachter: ‘Het is één grote smerige rommel.’ En dan is het dus wachten op het teken. ‘Dat wat er in me zit moet een vorm krijgen en me leiden. Wat moet ik doen?’
“Aha,” says the friend opposite her in the recording studio. “So it is a God after all.”
‘Aha’, zegt de vriend tegenover haar in de opnamestudio. ‘Dus het is toch een God.’
“Yes,” she says then. “But it is not quite what you think. I don’t know whether I want to share it; it is too intimate. I want to teach people to bear their suffering better.”
‘Ja’, zegt ze dan. ‘Maar het is niet helemaal wat je denkt. Ik weet niet of ik het wil delen, het is te intiem. Ik wil mensen leren hun lijden beter te verdragen.’
Within a short time Etty Hillesum undergoes an enormous development. Partly under Spier’s influence, partly under the influence of what she reads, especially Rilke, and partly prompted by the exceptional circumstances to which she must find a way to relate. In June 1941, in a reprisal action, three hundred Jewish boys in her neighborhood are arrested and taken to Mauthausen. In her diary she begins to articulate her despair about terror, concentration camps, powerlessness; gradually new concepts come to the fore. Weltinnenraum, for example, as the space she inwardly clears for something she will begin to call God, or “the heavens within me.” Instead of rising up against the occupier, as friends of hers do, she wants in the deepest part of her thoughts to find the good.
Binnen korte tijd maakt Etty Hillesum een enorme ontwikkeling door. Deels onder invloed van Spier, deels onder invloed van wat ze leest, met name Rilke, en deels ingegeven door de uitzonderlijke omstandigheden waartoe ze zich moet zien te verhouden. In juni 1941 worden bij een vergeldingsactie driehonderd joodse jongens in haar buurt opgepakt en naar Mauthausen afgevoerd. In haar dagboek begint ze haar wanhoop te verwoorden over terreur, concentratiekampen, machteloosheid, allengs treden er nieuwe begrippen op de voorgrond. Weltinnenraum bijvoorbeeld, als de ruimte die ze inwendig vrijmaakt voor iets wat ze God gaat noemen, of ‘de hemelen in mij’. In plaats van opstaan tegen de bezetter, zoals vrienden van haar doen, wil zij in het diepst van haar gedachten het goede vinden.
More and more strongly she experiences Jewish solidarity in fate. “We Jews.” She is part of the people doomed to destruction; she wants to bear that fate, that Massenschicksal. On behalf of the Jewish Council she goes voluntarily to the transit camp Westerbork, to stand by her people. At first at intervals of weeks, during which she can recover again in Amsterdam; finally to remain there, and to join her parents and youngest brother. There she sees the sun shine, the lupines bloom, and mass murder take place.
Steeds sterker ervaart ze de joodse lotsverbondenheid. ‘Ons Joden.’ Ze maakt deel uit van het tot ondergang gedoemde volk, ze wil dat lot, dat Massenschicksal, drágen. Namens de Joodse Raad gaat ze vrijwillig naar het doorgangskamp Westerbork, om haar mensen bij te staan. Aanvankelijk met tussenpozen van weken, waarin ze in Amsterdam weer kan bijkomen, uiteindelijk om er te blijven, en zich te verenigen met haar ouders en jongste broer. Ze ziet er de zon schijnen, de lupinen bloeien en de massamoord zich voltrekken.
Some of her “contemporaries,” that is, writers, columnists, and journalists in the early 1980s, received An Interrupted Life with skepticism. I myself was then taking the course in textual editing as part of my Dutch studies, and Hillesum’s handwriting was a case study. It did not say “in a thousand sweet arms” at all, as had long been thought, but “in a thousand soft arms.” In one way or another disenchantment was the mission; I placed Hillesum in an esoteric corner, if only because I was given her book by the same friend who had earlier given me the collected speeches of Krishnamurti.
Sommige van haar ‘tijdgenoten’, dat wil zeggen schrijvers, columnisten en journalisten begin jaren tachtig, ontvingen Het verstoorde leven met scepsis. Zelf volgde ik toen het vak teksteditie als onderdeel van de studie Nederlands, en het handschrift van Hillesum was een casus. Er stond helemaal niet ‘in duizend zoete armen’, zoals lange tijd werd gedacht, maar ‘in duizend zachte armen’. Op de een of andere manier was ontnuchtering de missie, plaatste ik Hillesum in een esoterische hoek, al was het maar omdat ik haar boek cadeau kreeg van dezelfde vriend die mij eerder de gebundelde toespraken van Krishnamurti gaf.
Karel van het Reve was then the true semi-saint. When I now reread what he wrote about her at the time, namely that her diary had a strongly “schoolgirl” character, and that Spier got her into his bed by way of “a cloud of profound little talks,” I find him feeble and lazy. Only about his conclusion am I still thinking: “But perhaps it is true that all genuine life of the soul has something schoolgirlish about it, and that without that schoolgirl element there is no life of the soul, only stupefaction.”
Karel van het Reve was toen de ware halve heilige. Als ik nu teruglees wat hij toen over haar schreef, namelijk dat haar dagboek een hoog ‘bakviskarakter’ had, en dat Spier haar via ‘een wolk van diepzinnige praatjes’ zijn bed in kreeg, vind ik hem flauw en gemakzuchtig. Alleen over zijn slotsom ben ik nog aan het nadenken: ‘Maar misschien is het wel zo dat alle echte zieleleven iets bakvisachtigs heeft en er zonder dat bakviselement geen zieleleven bestaat, maar alleen afstomping.’
It is true that the term “schoolgirl” is deployed disparagingly, but the fact that she was young and female seems to me to be of importance in sensing Etty’s calling and explaining her lasting appeal. In the aforementioned book by Alicja Gescinska, the parallels between her and Simone Weil are striking: a spiritual thinker who internalized the suffering of the world to such an extent that she too succumbed to it at a young age.
Het is dat die term ‘bakvis’ denigrerend wordt ingezet, maar het feit dat ze jong was en vrouw lijken me factoren van belang om Etty’s roeping te kunnen navoelen én haar blijvende aantrekkingskracht te verklaren. In het eerder genoemde boek van Alicja Gescinska vallen de parallellen op tussen haar en Simone Weil, als een spiritueel denker die het lijden van de wereld zodanig verinnerlijkte, dat ze er ook op jonge leeftijd aan ten onder ging.
Of course it was the Nazis to whom Etty Hillesum succumbed, but the great question that arises whenever she is discussed is: why did she so much want to accept the fate of her suffering fellow human beings? The image has arisen that she more or less singingly stepped onto the train from Westerbork to Auschwitz, after for months gently massaging her fellow camp inmates toward deportation. And perhaps more than that. “I have broken my body like bread and distributed it among the men,” she wrote. “Why not, after all; they were hungry and had gone without for so long.”
Natuurlijk waren het de nazi’s waaraan Etty Hillesum ten onder ging, maar de grote vraag die telkens als het over haar gaat opduikt is: waarom wilde ze zo graag het lot aanvaarden van haar lijdende medemens? Er is het beeld ontstaan dat ze min of meer zingend de trein vanuit Westerbork naar Auschwitz instapte, nadat ze maandenlang haar kampgenoten zachtjes richting deportatie masseerde. En misschien meer dan dat. ‘Ik heb mijn lichaam gebroken als brood en uitgedeeld onder de mannen’, schreef ze. ‘Waarom ook niet, ze waren immers hongerig en hadden al zo lang ontbeerd.’
Gerhard Durlacher, then fourteen years old, who survived Auschwitz and became a writer after the war, said that his father was driven to distraction by her consolations. “Most of us closed ourselves off in order to survive,” he said, “and when that defensive shield was then suddenly broken down by an emotional conversation, you no longer knew what to do.”
De destijds 14-jarige Gerhard Durlacher, die Auschwitz overleefde en na de oorlog schrijver werd, vertelde dat zijn vader het van haar getroost op de zenuwen kreeg. ‘De meesten van ons sloten zich af om te overleven’, zo vertelde hij, ‘en als dat verdedigingsschild dan door een emotioneel gesprek plotseling werd afgebroken, wist je je geen raad meer.’
From Westerbork Etty wrote two long circular letters, which during the war were illegally printed under a veiled title, and were republished by Bert Bakker in 1962. Marga Minco experienced the publication as “a revelation.” She was deeply impressed by Etty’s lucid style, her sharp observations of people and conditions in the camp, and the almost superhuman solidarity with her fellow sufferers. Biographer Judith Koelemeijer, too, sees especially in these letters the writer Etty might have grown into, with her soft, attentive gaze for people and situations.
Vanuit Westerbork schreef Etty twee lange rondzendbrieven, die tijdens de oorlog onder een verhullende titel illegaal werden gedrukt, en in 1962 door Bert Bakker opnieuw werden uitgegeven. Marga Minco ervoer de uitgave als ‘een openbaring’. Ze was diep onder de indruk van Etty’s heldere stijl, haar scherpe observaties van mensen en toestanden in het kamp, en de bijna bovenmenselijke solidariteit met haar lotgenoten. Ook biograaf Judith Koelemeijer ziet met name in deze brieven de schrijfster tot wie Etty had kunnen uitgroeien, met haar zachte opmerkzame blik voor mensen en situaties.
On the final pages of her biography, the various scenarios of the end of Etty’s life are meticulously reviewed. Perhaps this, perhaps that; we do not know. Was she strong enough? Resourceful enough? Even her date of death is an administrative one, which she shares with half of the 987 people who were put on transport on September 7, 1943. She was in wagon twelve, her parents and brother in wagon one. Eyewitnesses saw her going toward the train laughing and talking. She had her little Bibles with her, her Russian grammar and her Tolstoy, not forgetting her diary. What could happen to her?
Op de slotpagina’s van haar biografie worden nauwgezet de verschillende scenario’s van het einde van Etty’s leven nagelopen. Misschien dit, misschien dat, we weten het niet. Was ze sterk genoeg? Handig genoeg? Zelfs haar overlijdensdatum is een administratieve, die ze deelt met de helft van de 987 personen die op 7 september 1943 op transport werden gezet. Ze bevond zich in wagon twaalf, haar ouders en broer in wagon één. Ooggetuigen zagen haar lachend en pratend richting trein gaan. Ze had haar bijbeltjes bij zich, haar Russische grammatica en haar Tolstoj, haar dagboek niet te vergeten. Wat kon haar gebeuren?
In the Public Intellectuals series, an evening on Etty Hillesum will take place at De Balie in Amsterdam on Tuesday, June 23, at 7:30 p.m. Tickets and information
In de serie Publieke intellectuelen vindt er een avond over Etty Hillesum plaats in De Balie in Amsterdam op dinsdag 23 juni, 19.30. Tickets en informatie